• Nieuws
  • Uit de Limburger van 16 januari 2020. Een essay van Gerd Leers.

10 juli 2020

Een politiek testament mag het van oud-minister en -burgemeester Gerd Leers (68) niet genoemd worden, al was het maar omdat hij nog niet van plan is achter de geraniums te gaan zitten. Toch bevat het essay dat hij geschreven heeft de kern van zijn politieke boodschap: eerherstel voor compassie en vergeven.

Op 5 december van het afgelopen jaar stond op de voorpagina van De Limburger een raak sinterklaasgedicht van de redactie over de heersende onvrede bij veel mensen. Ik citeer een fragment:

Ze willen zo graag gehoord worden, maar ze luisteren nooit Hun waarheid is de mening die zich naar hun eigen wereldbeeld plooit Wie er anders over denkt, is een vijand die dient te worden bestreden Liefst met grote woorden, nuance is zelfs niet meer besteed aan het verleden

Het gedicht trof me, omdat de strekking ervan precies aansloot bij de Gerarduslezing die ik afgelopen oktober mocht verzorgen.

De Gerarduslezing verwijst naar Gerardus van Majella, een lekenbroeder uit de achttiende eeuw die later heilig werd verklaard en die door velen nog steeds vereerd wordt in Wittem. Zijn belangrijkste deugd was het geduld waarmee hij beledigingen en pijnigingen onderging. Hij had compassie en hij vergaf.

Compassie en vergeven

Compassie en vergeven zijn twee eigenschappen die in onze maatschappij – en zeker in de politiek – ver op de achtergrond lijken te zijn geraakt. Ik wil op deze plek een pleidooi houden voor eerherstel van deze deugden in onze tijd.

Compassie betekent: je verplaatsen in een ander. Iemand iets gunnen. Het lijkt wel alsof we in onze tijd het vermogen om compassie te hebben met de ander hebben uitgebannen als een zwakte. Dat onvermogen komt terug in onze omgangsvormen. Preciezer: in onze omgang met meningsverschillen, in onze manier van debatteren over uiteenlopende maatschappelijke onderwerpen – van Zwarte Piet tot de klimaatverandering.

Extreme standpunten

Opvallend is de ‘polarisatie’ daarin. In de debatten overheersen vaak de meest extreme standpunten. Het midden, waar vroeger altijd de consensus werd gezocht, raakt in dat geweld steeds vaker overwoekerd. Daarmee dreigen de rede en de redelijkheid te verdwijnen. Dat we een land zijn waar volop gedebatteerd wordt, is natuurlijk geweldig. Uiteenlopende, conflicterende standpunten zijn immers de essentie en zuurstof van een open samenleving. Maar wat je ziet, is dat te vaak standpunten gesmoord worden. Men radicaliseert als het ware elkaar – tot het punt dat mensen gaan geloven dat de ander de eigen manier van leven bedreigt. Dat geeft het onderlinge debat een existentiële lading. En juist dát is zo gevaarlijk.

Zuilen en bubbels

Zeker, ook vroeger was er sprake van polarisatie. Twintig, vijftig, zeventig jaar geleden ging het ook hard tegen hard en wensten mensen elkaar hel en verdoemenis toe, vanuit politieke, religieuze of anderszins getinte overtuigingen. Maar toch is er een wezenlijk verschil tussen vroeger en nu.Vroeger had je de verzuiling. Zoals de kerk of een politieke partij. En vroeger waren het die zuilen die botsten. De ene zuil tegen de andere.  De tegenstellingen tussen die zuilen waren scherp en vaak bitter. Maar binnen die zuilen was er juist sprake van gedeelde waarden, was er overeenstemming over wat hoorde en wat niet hoorde.

Tegenwoordig zijn er geen zuilen meer, maar ‘bubbels’. Zuilen, dat waren gezamenlijk gedeelde en beleefde constructies. Een ‘bubbel’ is echter een eigen constructie, een zelfgecreëerde, compleet geïndividualiseerde wereld. Het gevolg is een samenleving waarin het debat niet wordt gevoerd door pakweg zeventien zuilen, maar door zeventien miljoen bubbels. Een samenleving waarin we steeds minder met elkaar delen en het over steeds minder zaken vanzelfsprekend eens zijn. We staan vaak vierkant tegenover elkaar.

Vrijheid

Natuurlijk (en gelukkig) zijn er maar weinig mensen die terug willen naar de verzuiling van vroeger. Niemand vertelt je nog wat je moet denken of hoe je je moet gedragen. Wie je bent, wat je doet, wat je moet vinden, je moet het tegenwoordig vooral zélf uitzoeken. Die vrijheid anno nu is natuurlijk geweldig. Maar het schept wél nieuwe verplichtingen. Want wat de vrijheid is voor de een, kan onvrijheid zijn voor de ander. Zoals in onze debatcultuur. Een rijke debatcultuur is een cultuur waarin iedereen de ruimte krijgt om volwaardig deel te mogen nemen. Maar zo’n cultuur hebben we niet in Nederland. We hebben een cultuur die vooral onbehagen oproept. Dat onbehagen is zelfs doorgedrongen tot onze eigen Nederlandse politiek. Daar gaan steeds meer stemmen op die tegen de heersende trend naar polarisatie ingaan.

Scorebordpolitiek

In 2017 riep Klaas Dijkhoff bijvoorbeeld op tot een meer constructieve politiek. Hij zei in de Tweede Kamer: „Waarom werken we niet meer samen? Waarom doen we alsof het hier een debatclub is met aan het eind van de dag een prijs voor de scherpste opmerking? Nederland wordt daar niet beter van.” En Jesse Klaver zei tijdens de afgelopen Algemene Beschouwingen dat hij het voortaan ook anders wil doen. Hij wilde minder snelle debatjes over de actualiteit, minder ‘scorebordpolitiek’. Klaver zei letterlijk: „Dat is niet de manier waarop we Nederland verder krijgen.” Dijkhoff en Klaver verwoorden – zo denk ik – een diepgevoeld verlangen naar andere vormen van omgang. Diederik Samson verwoordde dat bij zijn afscheid als fractievoorzitter als „de schoonheid van naar elkaar luisteren. Het vermogen om een eindje met elkaar op te lopen, om een deel van elkaars gelijk te accepteren.”

Loslaten

Hoe krijgen we onze debatcultuur weer op het juiste spoor? Het antwoord op die vraag ligt, denk ik, op straat. Letterlijk. Op straat draait alles om het gunnen van ruimte aan de ander. Iedereen die de weg opgaat – als automobilist, fietser, voetganger – eist daar zijn of haar eigen ruimte op. Hoe voorkom je daarin ongelukken?

De wetgever heeft daarvoor een slimme oplossing bedacht. Je hebt recht op die ruimte. Maar die ruimte mag je niet nemen. Die ruimte moet je gegund worden. Je mag bijvoorbeeld voorrang niet zomaar nemen. Nee, die moet je verleend worden door de ander.  De wetgever dwingt daarmee mensen om rekening met elkaar te houden. Je wordt als het ware verplicht om te ‘onderhandelen’ over de beschikbare ruimte. En als het goed is, loopt dat ‘onderhandelen’ af zonder botsingen.

Ruimte geven

Elkaar de ruimte geven. Dat is de essentie van deelname aan het verkeer, óók aan het sociaal verkeer. Ruimte mag je niet nemen, die moet je door een ander gegeven worden. Als iedereen zich aan die regels houdt, zoals ook in het wegverkeer, krijgen we een heel andere balans. Dan komen we heel dicht in de buurt van de compassie van Gerardus van Majella waar mijn lezing over ging. De compassie van een ander iets gunnen.

In het verlengde daarvan ligt de andere deugd van Gerardus. Vergeven. Vergeven betekent dat je niet te snel tot oordelen komt. Want oordelen leidt tot blindheid. Oordelen is niet langer openstaan, niet langer luisteren. Oordeel daarom niet, maar blijf luisteren, zegt Gerardus. Oordeel daarom niet, maar blijf die handreiking zoeken. Inderdaad: van vierkant naar vergeving.

Ik schreef hierboven: ik wil op deze plek een pleidooi houden voor eerherstel van de deugden van Gerardus van Majella in onze tijd. Hoe werken we aan dat eerherstel? Hoe geven we elkaar de ruimte zoals hiervoor bepleit?  De belangrijkste les die ik heb geleerd, in mijn politiek-bestuurlijke loopbaan, is vertrouwen houden en niet meteen oordelen of zelfs veroordelen.

Optimistisch

Ik heb, zoals iedereen, zeker niet altijd mijn zin of gelijk gekregen. En waar ik eigenwijs bleef zelfs krassen opgelopen. Tikken op mijn vingers gekregen. Als zoiets je overkomt, kun je twee dingen doen. Je kunt in een heel negatieve en defensieve houding kruipen en verongelijkt de ander blijven verfoeien. Mijn ervaring is: de keuzes die je dan maakt, gaan uiteindelijk toch tegen je werken. Je kunt ook kiezen voor een optimistische, open en lerende houding. Je staat op en gaat weer door en houdt rekening met de mening van anderen, ook al pasten die in eerste instantie niet bij jouw opvattingen.

Mijn conclusie na vele jaren actief te zijn geweest in de politiek is dat er meer dan ooit behoefte is aan bestuurders en politici die het opnemen tegen de polarisatie, tegen vervlakking en daarmee verplatting. Maar ook politici die zich durven uit te spreken tegen een tijdgeest die benauwt en bedreigend is.

Ruimte geven, compassie hebben en vergeven.

Het zijn deugden die in het bestuur en de politiek aan een stevige herwaardering toe zijn en waarvoor we ons allemaal zouden moeten uitspreken. Niet alleen omdat ik ervan overtuigd ben dat het de geloofwaardigheid in de politiek kan terugbrengen, maar vooral omdat in ieder mens een fundamenteel verlangen schuilt naar deze waarden en mensen zich daaraan kunnen optrekken. Die overtuiging heb ik als mens. Als bestuurder en politicus. En als Maastrichtenaar, Brunssumer en Limburger, werkzaam in een gemeenschap die ontstaan is uit grote verscheidenheid en juist daarin haar kracht gevonden heeft.